Toegevoegde waarde van MRI-scans van de knie bij kinderen en adolescenten (0-16 jaar)
Toegevoegde waarde van MRI-scans van de knie bij kinderen en adolescenten (0-16 jaar)
Samenvatting
Aanleiding: Kinderorthopeden in het Juliana Kinderziekenhuis (JKZ) en het Reinier de Graaf (RdG) zien veel kinderen en adolescenten met knieklachten, waarbij veel MRI-scans worden aangevraagd waar achteraf niets uit blijkt te komen. Hierdoor is er sprake van overdiagnostiek, te hoge kosten en onnodige belasting voor het kind.
Doel: Het bepalen van de toegevoegde waarde van MRI-scans van de knie bij kinderen en adolescenten (0-16 jaar) met knieklachten. Daarnaast mogelijke relaties onderzoeken tussen bepaalde (voorafgaand aan de MRI bekende) kenmerken/factoren.
Methode: In een observationeel retrospectief onderzoek werden 805 patiënten van 0-16 jaar geïncludeerd die tussen 2012 en 2026 een MRI-scan van de knie ondergingen in twee ziekenhuizen; het JKZ (Den Haag) en het RdG (Delft). Patiëntkarakteristieken, anamnese, lichamelijk onderzoek, diagnose en uitkomst werden uit het elektronisch patiëntendossier gehaald. MRI uitkomsten werden ingedeeld in vijf categorieën (1 – Geen bevindingen; 2 – Toevalsbevinding(en); 3 – Bevestiging van eerder gestelede diagnose; 4- Bevestiging van eerder gestelde diagnose + extra bevindingen; 5 – Nieuwgevonden diagnose). Beschrijvende statistiek, Chi-kwadraattesten, Spearman-correlatietesten en Kruskal-Wallis-testen (+ post-hoc) zijn gebruikt om verbanden tussen kenmerken en MRI-uitkomsten te onderzoeken.
Resultaten: De gemiddelde leeftijd bij een MRI was 12,7 jaar met een standaarddeviatie van 2,7 jaar;41,7% jongen en 58,3% meisje. 43,7% van de MRI-scans liet helemaal geen bevindingen zien, 27,8% leidde tot een nieuwgevonden diagnose en 7,6% tot extra bevindingen naast een reeds bekende diagnose. Er werden dus bij 35,4% van de MRI-scans nieuwe inzichten en/of diagnoses vastgesteld. MRI-scans bij jongens toonden het vaakst een nieuwgevonden diagnose (32,7%) en MRI-scans van demeisjes toonden het vaakst geen bevindingen (52,0%). De meest voorkomende diagnoses zijn: botafwijkingen (25,8%), meniscusletsel (21,6%) en bandletsel (13,7%). Patiënten zonder trauma hadden in 50,5% van de gevallen geen bevindingen op de MRI-scan, met trauma verlaagde dit tot 38,4%. In de groep trauma patiënten met hydrops in het kniegewricht waren er significant meer patiënten met een hogere uitkomst (P < 0,001). Er waren meer patiënten met een nieuwgevonden diagnose als patiënten 0-2 weken klachten hadden (45,8%) in vergelijking met patiënten die langer met klachten rond liepen (P < 0,001). Er is een significant verband (P < 0,001) tussen het voorafgaan van trauma en meniscusletsel, bandletsel en botafwijking. Waarbij bandletsel zelfs in 93,3% van de gevallen voorkomt bij patiënten met voorafgaand trauma. Binnen de groep met trauma en met uitkomst 5 - nieuwgevonden diagnose, onderging 38,7% een operatie, bij 56,8% bleef het bij een conservatieve of expectatieve behandeling en 4,5% werd doorverwezen naar een andere instelling.
Conclusie: MRI-scans van de knie bij kinderen en adolescenten levert in een aanzienlijk deel van de patiënten nieuwe diagnosen of extra bevindingen op, maar meer dan de helft van de scans vertoont geen bevindingen of toevalsbevindingen waar het behandelbeleid niet door wordt aangepast. MRI-scans lijken vooral nuttig bij een combinatie van het vooraf gaan van trauma en het vinden van hydrops tijdens het lichamelijk onderzoek, terwijl bij klinische verdenking op het patellofemoraal pijnsyndroom eerder gekozen kan worden om geen MRI-scan te vervaardigen. Prospectief onderzoek met gestandaardiseerde registratie van klinische gegevens en uitkomsten is nodig om de toegevoegde waarde van MRI-scans van de knie verder te onderbouwen.
| Organisatie | |
| Opleiding | |
| Afdeling | |
| Jaar | 2026 |
| Type | |
| Taal | Nederlands |






























